Keppel en Sluier – God aanbidden met bedekt hoofd?

keppelsluier door Ingrid Wijngaarde
Een keppel of kipa is een schedelkapje, dat joodse mannen in ieder geval in de synagoge dragen en tijdens het bidden. Het is een symbolische hoofdbedekking als herinnering aan Gods autoriteit over de man. Maar wat is de religieuze betekenis van een hoofdbedekking van de vrouw? Is het een teken van onderworpen zijn aan de man? Wat staat er in de Bijbel, hoe lezen en begrijpen wij?

Mij werd enkele maanden geleden deze vraag gesteld en ik ben op onderzoek uitgegaan. Ook omdat sommige broeders en zusters er moeite mee hebben dat vrouwen spreken en bidden in de gemeente. Ik hoop dat u dit kunt waarderen. Ik hoor het graag via uw reactie onder aan de pagina.

OUDE TESTAMENT
Algemeen
Wij zullen in het Oude Testament geen enkele aanwijzing vinden voor een algemene regel voor het dragen van een hoofdbedekking. In het Oude testament hadden zowel mannen als vrouwen een onbedekt hoofd, ook in de tempel. Mannen en vrouwen zaten apart, hadden hun aparte godsdienstoefeningen. De man was priester in zijn huisgezin en offerde voor zichzelf, zijn vrouw en kleine kinderen. Vrouwen mochten een Nazireeërgelofte doen (Num 6:2; 30:3-15), als hun vader of man daar toestemming voor gaf.

Priesters
Alleen voor de hogepriester, nakomelingen van Aaron en zijn zonen, was het dragen van een hoofdbedekking, een tulband, verplicht. En alleen tijdens het uitoefenen van hun dienst in de tempel (Ex 28:14,36,37,39,40; 29:9,13; Eze 44:18; Zac 3:3-5). Mozes gaf uitdrukkelijke instructie aan Aaron en zijn zonen dat zij hun hoofdhaar niet lang mochten laten groeien of los mochten laten hangen, niet scheren, maar knippen (Lev 10:6; zie ook Eze 44:20). Voor de priesters en hogepriesters was het dragen van de tulband samen met hun witte linnen gewaden het symbool van gerechtvaardigd zijn voor God. Gods rechtvaardigheid bedekte hen van hoofd tot voet (Job 29:14). Alleen voor de priesters golden gedetailleerde voorschriften voor kleding, haardracht en gedrag opdat ze het volk te allen tijde het verschil konden leren tussen heilig en onheilig: Eze 44:16-26.

Koningen
Later lezen wij dat ook de koningen een tulband of kroon droegen (Eze 21:25,26). Dat koningschap was het gevolg van de wens te willen zijn als andere volkeren, inclusief de bijbehorende hoofdtooi.

Mannen
God heeft van de gewone Israëlische man specifieke uiterlijke kenmerken gevraagd, die zijn verbondenheid met Hem aangeven: gebedsriemen, de voorhoofdsband (Deu 11:18) en haarlokken langs de oren (Ri 5:2). En kwasten, met daarin een blauwpurperen draad gedraaid, aan de vier hoeken van de zoom van het kleed waarmee zij zich bedekten en de zoom van andere kledij dat ze droegen (Num 15:37-41; Deu 22:12). Deze gedenktekenen zouden hen voortdurend herinneren aan gehoorzaamheid aan de geboden van God en hen waarschuwen tegen afdwalen.
Het vierhoekig kleed diende hen tot gebedskleed, dat ze over hun hoofd legden tijdens het bidden, maar ook tot mantel, omslagdoek en deken. Dit kleed mocht als onderpand gevorderd worden, maar moest elke avond weer teruggegeven worden, opdat de schuldenaar een deken had om zich mee te bedekken gedurende de nacht (Deu 24:13). Er zijn duidelijke aanwijzingen dat Jezus gebedskwasten aan zijn kleed had, zie Mat 9:20; 14:36.

Huwelijksceremonie
In het Oude Testament vinden we geen aanwijzingen voor een algemene hoofdbedekking voor vrouwen. De eerste melding van een sluier bij een vrouw vinden we bij Rebekka, die als getrouwde vrouw, de hele reis van Haran naar het uiterste zuiden van Kanaan ongesluierd naast een andere man, Eliëzer, reist, maar zich bedekt als ze haar bruidegom Izaak, nadert, die haar daarna naar de tent van zijn moeder escorteert: Gen 24:65.

De bruid van God
In Ezechiel 16:6-15 stelt de Heer Zijn gemeente voor als een bruid die door Hem zelf bekleed wordt in linnen en tulband (priesterkleren!), die de naaktheid van de zonde bedekken, ten teken van door Hem toegekende rechtvaardigheid.
We vinden dit beeld ook in Jesaja 61:10, als bedekking van gerechtigheid, als priester of als bruid en bruidegom: “…bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.” Opmerkelijk is het, dat de man zich met een hoofdbedekking tooit - als priester. de vrouw heeft andere versierselen.
In Hooglied vinden we een aantal teksten die de bruid van God beschrijven met bruidssluier (zie bijvoorbeeld Hoog 4:1,3; 6:7).

Hoeren, ongetrouwde vrouwen en slavinnen
In Genesis 38:14,15 lezen we dat Tamar haar weduwekleed verruilt voor verhullende kledij, inclusief sluier en gezichtsbedekking. Het was kennelijk ook voor Juda duidelijk dat een vrouw in die kledij een hoer was.

Krijgsgevangen vrouwen
Een krijgsgevangen genomen vrouw, moest het haar worden afgeschoren en de nagels geknipt, en haar moest een rouwperiode worden toegestaan voordat ze de vrouw mocht worden van een Israëliet (Deut 21:11-14).

Afgodendienaressen
In Jesaja 3:16-23 noemt God de verschijning van de hoogmoedige vrouwen van Jeruzalem, die zichzelf omhingen als kerstbomen met alles wat glimt, rinkelt en de aandacht trekt, een afschuwelijk schouwspel en een belediging. Er wordt weliswaar melding gemaakt van een hoofddoek, maar dan als teken van zelf aangemeten gerechtigheid. In Ezechiel 13:18-20 lezen we over valse profetessen die hun hoofden omwikkelen en leugen profeteren en zo mensen misleiden.
Spreekwoordelijk was de oogmake-up van Izebel, de Baalpriesteres, en het versieren van haar hoofd – kennelijk met kunstig opgestoken haar of met een rijkversierde hoofddoek (2 Kon 9:30).

Rouw en schaamte
In Ezechiel 24:15-17; 21-23 lezen we over een hoofddoek als onderdeel van rouwkledij. Een en ander lezen we wederom in Ezechiel 44 en in 2 Samuel 15:30. In de Psalmen lijkt hoofd- en gezichtsbedekking uiting geven aan schaamte: Psalm 44:16; 69:8; Hetzelfde in Job 19:9; Jeremia 14:3; Jesaja 13:18. Hoofdbedekking uit schaamte en gevoel van vernedering was klaarblijkelijk ook in gebruik bij andere volkeren, lees Esther 6:12 waar Haman zich op deze manier het hoofd bedekt.

Na de verwoesting van de tweede tempel in 70 na Christus, gingen orthodoxe joden zich permanent kleden als in rouw – in rouw om de vernietiging en verlies van hun stad en hun tempel. Pas in de zeventiende eeuw wordt de traditie van hoofdbedekking verplicht gesteld voor elke godsdienstig volwassen man. Een hoed of het "keppeltje" in de synagoge, ook daarbuiten en altijd tijdens het uitspreken van de gebeden, ook thuis. Voor jongeren geldt de verplichting vanaf het moment dat zij begrijpen waarom een keppel gedragen wordt.

HET NIEUWE TESTAMENT
De brieven aan de gemeente te Korinthe gaan uitvoerig in op hoofdbedekking door mannen en vrouwen. 2 Korinthiërs 3:15-18 spreekt niet bepaald positief over bevrijde mensen die zich het aangezicht bedekken. 1 Korinthiërs 11:3-16 is een veel geciteerd tekstgedeelte, die veel kerken en gelovigen aanhalen om te onderbouwen dat vrouwen met bedekt hoofd moeten aanbidden en moeten zwijgen in de gemeentelijke bijeenkomsten. Er zijn veel mannen die er de legitimiteit vinden om te heersen over hun vrouwen.
Wie goed leest, zal onmiddellijk begrijpen dat de context van deze passages duidelijk laat zien dat er meer aan de hand is in deze uiterst wanordelijke gemeente. Dat zowel de mannen als de vrouwen in deze gemeente flink over de schreef gingen.
We moeten ook niet vergeten deze tekst te lezen in de context van de tijd, waar juist het moraal van de inwoners van Korinthe op een zeer laag peil stond. Uit Paulus’ brieven kunnen we de conclusie trekken dat deze cultuur een sterke invloed had op de gemeente (zie:Overzicht ).

Autoriteitsproblemen
Uit de twee brieven van Paulus blijkt dat de gemeente van Korinthe een zeer wanordelijke gemeente was. Het blijkt dat hij de gemeente meerdere keren heeft moeten vermanen zich fatsoenlijk te gedragen. Het belangrijkste probleem in de gemeente was ontkenning van autoriteit. De geschiedenis leert dat de ruzies in deze gemeente voor het einde van de eerste eeuw zo hoog opgelopen waren dat de gemeente een grote leiderschapscrisis doormaakte, waarbij de ouderlingen werden afgezet.1 Paulus vreesde al dat zijn bemoeienis niets zou uithalen als het hart van de gelovigen niet zou veranderen (2 Kor 12:20,21). De kwestie hoofdbedekking was slechts een afgeleid probleem, omdat …
• Ten eerste, het niet te verwachten is dat Paulus christenen uit de heidenen joodse kledingvoorschriften zou opleggen. Uitgerekend Paulus had zich al eens krachtig uitgesproken tegen allerlei joodse tradities, die hij beschouwde als een beperking van zijn persoonlijke en christelijke vrijheid (zie: Gal 2:4).
• Ten tweede, Paulus zich had uitgesproken voor het zich houden aan de algemeen aanvaarde normen van goed fatsoen, zolang dat geen inbreuk maakte op het geweten van de gelovige tegenover God. (1 Korinthiers 9:19-22).

Als we een reconstructie van de bemoeienissen van Paulus met de gemeente proberen te maken, dan komen we tot het volgende scneario:
1. Het lijkt erop dat Paulus correspondeerde met enkele leden uit de gemeente te Korinthe, een gemeente die hij heeft gesticht. Hij schrijft in 1 Korinthiers 1:11 dat hij door de huisgenoten van Chloe op de hoogte is gebracht van twisten in de gemeente. Hij zegt blij te zijn dat hij niemand in de gemeente gedoopt heeft en dat hij hen toen babyvoedsel heeft gegeven, omdat zij nog onvolwassen waren, en dat hoe jammer ook, nog steeds niet zijn (1 Kor 3:2). Hij zoekt geen roem voor zichzelf; hij heeft slechts een fundament gelegd, waarop een ander mag voortbouwen (1 Kor 3:10). Kennelijk stuurt Paulus deze brief mee met Timoteus (1 Kor 3:14,17).

2. Paulus schrijft in 1 Korinthiers 5:9 dat hij reeds in (Grieks) “de brief” (NBG: “mijn brief”) had geschreven “dat gij niet moest omgaan met hoereerders”, maar dat hij het “nu” nog stelliger wil schrijven (vers 11). Dit geeft aan dat er een eerdere brief geschreven is, waardoor 1 Korinthiers in feite dus de tweede aan de gemeente is. Mogelijk is die brief mede een antwoord op een eerdere brief van de gemeente aan hem, waarin ze hem een vraag hebben gesteld over o.a. het christelijk huwelijksleven (1 Kor 7:1) en het eten van offervlees (1 Kor 8:1). In deze brief geeft hij meteen antwoord op die vragen.

3. 2 Korinthiers is een bemoedigend herderlijk schrijven, waarin Paulus zijn hart uitstort bij het hart van de gemeente te Korinthe. Je ervaart zijn pijn, zijn blijdschap en zijn zorg voor de afgedwaalde gemeente. Hij vereenzelvigt zichzelf met de broeders door veelvuldig gebruik te maken van de woorden “wij” en “ons”. Hij vertelt over de moeilijkheden die hij bij het evangeliewerk ondervindt en dankt voor de bemoediging, steun en hartelijkheid die hij en zijn gezant Titus van zijn geliefde gemeente hebben ontvangen (2 Korinthiers 7:7). In 2 Korinthiers 7:8-12 wordt duidelijk dat hij hen met Titus, een strenge brief gestuurd had waarover de gemeente bedroefd zou zijn geworden. De indruk is dat dat een andere brief is dan 1 Korinthiers, omdat hij die brief met Timoteus meegaf (1 Kor 3:14,17). Hij schrijft in 2 Korinthiers over het bericht dat hij van Titus ontving over hoe de brief gevallen is in de gemeente en hoe het tot diepe bedroefdheid, maar ook tot inkeer heeft geleid. In deze brief dankt en prijst hij hen daarvoor en verzekerd hen dat het hem niet om hen leed te bezorgen, maar dat hij om hun zaligheid bezorgd is. 2 Korinthiers blijkt daarmee dus de vierde brief te zijn die Paulus aan de Korinthiers schrijft en meestuurt met Titus en een andere niet met naam genoemde broeder (2 Kor 12:18; 8:22).

En toch zijn er lieden die smaad van Paulus spreken in de gemeente (2 Kor 10) en de gemeente blijkt nog zeer gevoelig voor valse leraren (2 Kor 11:4,13,14). Hij schrijft hoe hij ernaar verlangt hen zelf te bezoeken. Hij zegt zelf dat dat de derde keer zou zijn (2 Kor 12:14; 13:1).

De gemeente te Korinthe gaat Paulus zeer aan het hart. Hij heeft de gemeente zelf gesticht en lijdt er erg onder dat het evangelie wordt aangepast aan wereldse normen. Prostitutie is normaal; het lichaam is niet echt belangrijk, het gaat om de geest; de vrijdenkers redeneerden elke norm weg. Wat dat betreft is er een treffende gelijkenis met onze tijd! 1 Korinthiers 6:12,13 is een prachtig voorbeeld van hoe Paulus twee bij de Korinthiërs geliefde slogans met grote redeneerkunst weerlegt. De liberalen in de gemeente beroemden zich in hun vrijheid door te stellen: ‘Alles is mij geoorloofd.’ Paulus bevestigt dat, maar voegt eraan toe: ‘Ja “maar niet alles is nuttig.. en ik laat mij door niets tot slaaf maken”’ In een later hoofdstuk zegt hij: Ja, ‘maar niet alles bouwt op’ (1 Kor 10:23).
De andere populaire slogan was: ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel, en God zal aan beide een einde maken.’ Paulus zegt: ‘Ja, “maar bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het lichaam is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam.”’ Een paar verzen verder verduidelijkt hij zich verder door te stellen dat het lichaam een tempel is van de Geest en dat zij God eer moesten bewijzen met hun lichaam en daarom niet moesten hoereren. In Korinthe was hoererij en ontucht een veel voorkomend verschijnsel, ook in de gemeente (1 Kor 5:1). Paulus geeft aan dat zij de verleiding tot hoererij samen met God zeker zullen kunnen weerstaan (1 Kor 10:13).
Paulus ondervond veel kritiek. In 1 Korinthiers 9 weerlegt hij de beschuldiging dat hij en leden die conservatief zijn in hun denken en handelen, niet vrij zouden zijn. Wat een echo horen we vandaag! In 1 Korinthiers 9:12,19 verklaart hij dat ware vrijheid bestaat in het kùnnen doen van bepaalde dingen, maar ervoor kíezen anders te leven en zelfs van bepaalde rechten geen gebruik te wíllen maken. Meesterlijk!

De Bijbelse orde
De gemeente van Korinthe was een gemeente in diepe crisis en in diepe wanorde. De Bijbelse orde is er een van onderwerping – niet in de vernederende betekenis van het woord – maar als vrijwillige daad van aanbidding en van erkenning van autoriteit. Dit is iets wat de gemeenteleden blijkbaar niet voor en ten opzichte van elkaar konden opbrengen. Ze waren wijs in eigen ogen en opgeblazen, dat wil zeggen trots en hoogmoedig – de oorzaak van alle zonde.
De Bijbel staat bol van teksten over onderwerping, ook wel verootmoediging genoemd. Jezus aan God; mannen aan God; vrouwen aan hun mannen; kinderen aan hun ouders; jeugdigen aan ouderen in de gemeente; slaven aan hun meesters; burgers aan hun regeerders; gemeenteleden aan hun leiders; iedereen, die de ander uitnemender acht dan zichzelf, onderwerpt zich aan die andere. God wil ons allemaal leren wat ware onderwerping aan Hem betekent door ons aan te sporen ons aan degenen die boven ons gesteld zijn te onderwerpen. Dit te leren, betekent rust en orde, in ons huisgezin en in Gods huis. Paulus’ punt is dat als zij zich niet eens kunnen onderwerpen aan de aardse orde, zij dat ook niet zullen kunnen aan de hemelse.
Het is goed om te bedenken dat “hoofd” niet alleen een autoriteitsverhouding aangeeft. Het geeft ook een rangorde aan. God, de Vader is het hoofd van Christus - staat bóven Christus. De Bijbelse rangorde is: God komt eerst, dan Christus, dan de gemeente, dan de man, dan de vrouw en dan de kinderen.

In de context van het evangelie duidt "hoofd" op een liefdesrelatie: God de Vader is het hoofd van Christus, maar heeft Hem niet voor Zichzelf gehouden. Hij had ons zo lief dat Hij Hem voor ons overgegeven heeft. Christus is het hoofd van de gemeente en heeft ALLES voor haar over gehad, zelfs de dood des kruises, om ons te redden (Fil 2:8). In Efeziërs 5 schrijft Paulus dat God wil, dat mannen deze liefde van Christus voor hun vrouwen uitleven en hij maant mannen en vrouwen 'aan elkaar onderdanig te zijn' (Efe 5:21). Het gaat Paulus om Gods orde, niet om machtsverhoudingen. In Gods orde is een veilige en liefdevolle bescherming, en dat stelt Paulus in de menselijke relaties als voorbeeld voor.

Interne bewijzen
Het is gepast om als Gods gemeente aan de buitenwereld duidelijk te maken dat de gemeente zich niet buiten de maatschappelijke orde van hoe echtparen zich horen te gedragen, begeeft. Want dat zou een smet op de gemeente werpen. Er zijn meerdere directe en indirecte aanwijzingen dat dit het probleem was:

1. Als geprofeteerd wordt dat de gemeente van God een koninklijk priesterschap op aarde vertegenwoordigt (Ex 19:5,6; 1 Pet 2:9,10), is het vreemd dat Paulus zou aangeven dat uitgerekend de man – de priester in zijn gezin - met onbedekt hoofd moet aanbidden en dat een deugdzame vrouw het hoofd moet bedekken. We vinden in de Bijbel geen “Er staat geschreven” voor een hoofdbedekking voor de joodse vrouw, wel voor de priester. In Bijbelse context van de man als priester van het gezin zou juist de man een “tulband” moeten dragen. Feit is dat zowel mannen als vrouwen in de gemeente bidden en profeteren (1 Kor 11:4,5). Als het voorschrift om een hoofdbedekking voor de vrouw in de privésfeer gaat, is de vermaning van Paulus volkomen onzinnig. Paulus’ woordgebruik – schande – duidt erop dat men in de gemeente algemene fatsoenregels aan de laars lapt: er is sprake van onfatsoenlijk, aanstootgevend gedrag. Men houdt geen rekening met anderen, daarom doen de samenkomsten meer kwaad dan goed (1 Kor 11:17) en zijn ze zelfs een aanstoot voor de ongelovigen. Ook heeft hij het over gewoonte in de gemeente en daarbuiten (1 Kor 11:16), een aanwijzing dat wij in deze passage rekening moeten houden met de culturele dimensie van de samenleving van Korinthe.

2. Het tekstgedeelte van 1 Korinthiers 11:3-16 gaat in de eerste plaats over de erkenning van autoriteit. Van God over Christus, van Christus over de man en over de gemeente, en van de man over zijn vrouw en zijn gezin. Het is zeer betekenisvol dat met het Griekse woord – gune, gunaikos - hier verwijst naar de getrouwde vrouw. De context maakt dat duidelijk – de echtgenoot die qua autoriteit boven zijn vrouw staat, haar hoofd is. ‘Hoofd’ in hoofdstuk 11 moeten wij in overdrachtelijke zin verstaan: het ‘hoofd’ van de vrouw is haar eigen man en de vrouw is de heerlijkheid (eer) van de man (11:7). Het gaat erom dat getrouwde vrouwen bidden en profeteren in de samenkomsten, maar daarbij hun eigen man te schande maken. Als het tekstgedeelte over elke vrouwelijke gelovige zou gaan, zoals sommigen stellen, dan is het in tegenspraak met 1 Korinthiers 7:25, waar Paulus nadrukkelijk verklaart geen goddelijk advies over het huwelijks leven voor ongetrouwde vrouwen (letterlijk maagden, pathenon) te hebben.

3. Er was geen probleem met vrouwen in het algemeen. De getrouwde vrouwen gedroegen zich kennelijk als ongetrouwde vrouwen in de gemeente en zelfs zo dat het in de Korintische cultuur als schandelijk werd beschouwd. Maar we moeten opmerken dat Paulus het in dezelfde passage ook heeft over mannen, die hun “hoofd” – Christus - te schande maken. Hoe doen mannen dat? Door zich ten opzichte van hun roeping en getuigenis te misdragen door te hoereren.

4. Er zijn bewijzen dat de maatschappelijke norm in Korinthe was dat een onbedekt hoofd voor een getrouwde vrouw een schande was, alsof ze kaalgeschoren was. Vrouwen werden in de
sluier2ouddheid vaak kaalgeschoren als straf voor overspeligheid, als teken van rouw, of als ze tempelprostituees waren – een gebruik dat in Griekenland niet onbekend was.2 Ik heb aanwijzingen gevonden dat in de Griekse cultuur van de eerste eeuw getrouwde vrouwen de hoofddoek ophadden als ze in het openbaar verschenen en die zij binnenshuis aflegden (vergelijk moslima’s). Daarmee was de hoofddoek een statussymbool en teken van gehuwde staat en deugdzaamheid.3

Paulus maakt hier een complete, en zoals gewoonlijk, een ingewikkelde redenering van. Petrus zei ook al dat Paulus soms moeilijk te volgen is, wat sommige lieden misbruiken en tot hun eigen verderf verdraaien (2 Pet 3:15,16). Als we Paulus' betoog in de verzen 5 en 6 ontrafelen dan staat er het volgende: Iedere gehuwde vrouw, die bij het bidden of profeteren het hoofd niet bedekt, laadt schande op zich, want zij is als kaalgeschorene. Wil ze het hoofd niet bedekken, dan moet zij het haar laten afknippen. Maar àls kaalzijn een schande is, dan moet zij het hoofd bedekken. In vers 10 zegt hij dat de vrouw een macht op het hoofd moet hebben door middel van de engelen – dia tous aggelous - (engelen: leiders van de gemeente, zie de leiders van de zeven gemeenten in Openbaring 2 en3), m.a.w. ze moet zich onderwerpen aan de leiders van de gemeente, en ze doet dat via haar man.

Omdat de gemeentelijke bijeenkomsten openbaar waren, werd het ongepast gevonden te doen alsof je thuis was. In het openbaar gingen mannen blootshoofds; getrouwde vrouwen hadden het hoofd bedekt (1 Kor 14:23-25). Slavinnen, ongetrouwde vrouwen en hoeren mochten geen hoofddoek dragen. Slavinnen werden kaalgeschoren. Mannen mochten naast hun gehuwde vrouw, bijvrouwen hebben, die echter de status hadden van slavin. Deze culturele setting verklaart veel van wat Paulus – zelf ook in de Griekse cultuur opgegroeid, zie Handelingen 21:37- stelt: Het is de gewoonte in de maatschappij en dus ook in de gemeenten Gods (1 Kor 11:16).

5. Paulus bevestigt in de verzen 13-15 de waarde van het haar van de vrouw en hij geeft aan dat het acceptabel is dat een vrouw zonder bedekking bidt, want het hoofdhaar is haar tot een sluier en strekt haar tot eer. Hij stelt daarentegen juist duidelijk dat een man zijn haar niet lang mag laten groeien om te voorkomen dat er verwarring zou optreden. Dit is volkomen in overeenstemming met de voorschriften die God aan Israel gaf. We moeten bedenken dat zowel mannen als vrouwen in die cultuur “jurken” droegen. Kennelijk ging het erom dat de christenen in Korinthe niet uit de toon zouden vallen en geen houding ten toon zouden spreiden die door de heidenen als aanstootgevend zou kunnen worden bestempeld, waardoor ze voor de mensen, die zij wilden bekeren, een struikelblok zouden worden. Wie zielen vangt, is wijs (Spr 11:30, SV), wordt jood voor de jood en Griek voor de Griek (1 Kor 9:19-23).

6. In de Korinthische cultuur maakte een getrouwde vrouw die het hoofd niet bedekte, zichzelf en haar man te schande, alsof zij een kaalgeschoren hoer was. Wanneer het van een getrouwde vrouw aldus gevonden werd en zij zich dat besefte, diende zij blijk van goede zeden te geven en zich te houden aan de norm. Man en vrouw konden vrijelijk deelnemen aan en voorgaan in de godsdienstoefening, maar hun rol moest voor allen duidelijk zijn: de man als man, de getrouwde vrouw als getrouwde vrouw. En voor zulk een vrouw betekende het in Korinthe het dragen van een afhangende hoofdbedekking.

Spreekverbod voor vrouwen?
De beroemde passage over het spreekverbod voor vrouwen in 1 Korinthiers 14:34-37 staat niet op zichzelf, maar midden in een vermaning over profeteren en spreken in tongen. Paulus wijst tongentaal in een eredienst af, als hebbend geen nut. Het woord voor spreken in tongen is afkomstig van het Griekse glossa (taal, tong) en lalein (spreken). Zulke tongentaal is voor buitenstaanders en zelfs gemeneteleden onbegrijpelijke wartaal.
Deze twee verzen doen vermoeden dat met name vrouwen zich presenteerden als hebbend de gaven van profetie en spreken in tongen en dat er zich daarbij wanordelijke situaties voordeden en dat zij door elkaar spraken, soms zonder inzicht. Iin vers 27 benadrukt Paulus dat ieder op zijn beurt moet wachten en dat slechts twee, ten hoogste drie in één bijeenkomst aan het woord dienden te zijn. De rest moest zwijgen. Hetzelfde gebiedt hij voor profeteren in vers 29). En Paulus kon dit presenteren als "een gebod van God" omdat God een God van orde is. 
In sommige Pinsterzendingkerken doen zich ook heden situaties voor, waar mensen door elkaar spreken, roepen, lallen en brabbelen, menend vervuld van de Geest te zijn. Paulus vond dit verschrikkelijk, omdat hij vond dat hierdoor de kerk in opspraak werd gebracht (14:23). Betekenisvol zijn ook de vers 36 waar Paulus vraagt: “heeft het evangelie alleen u bereikt? M.a.w. waarom verheft u zich tot een positie die u niet toekomt?

Deze tekstpassage moet gelezen worden in samenhang met de tekst in 1 Timoteus 2:11; 1 Timoteus 2:12 en Galaten 6:6 – in de Nederlandse vertaling zijn in deze teksten drie verschillende Griekse woorden vertaald als “onderricht” – achtereenvolgens manthaneto, didaskein en katechoumenos. Het eerste is, zich laten onderwijzen; het tweede, het vaststellen van kerkleer; het derde is, onderwijs in kerkleer ontvangen.
In 1 Timoteus 12 verbiedt Paulus het vrouwen om in de gemeente eigenmachtig vast te stellen wat doctrine is, èn – die twee zaken lijken aan elkaar gekoppeld - het begeren van het leiderschap (letterlijk: domineren, dominee willen zijn) over de gemeente. Paulus zegt: een vrouw heeft die positie niet.
In 1 Timoteus 5:17 wordt de prediking van het woord (logos) en het vaststellen van doctrine (didaskalia) als twee aparte bedieningen gezien.

Niemand kan met recht beweren dat onze kerk vrouwen heeft uitgesloten van de prediking van het woord en het geven van Bijbelonderricht (katechounti: catechisatie geven). Maar het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten heeft altijd een Bijbelse basis gevonden voor het voorbehouden van het kerkelijk leiderschap aan mannen.4 De Bijbel leert dat de Geest nooit onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt voor het toedienen van de profetische gave en ander dienstwerk (In het NT: Hannah: Lukas 2; Dorkas, Lydia: Handelingen 9 en 16; Prisca, Febe, Maria, Tryfena, Tryfosa: Romeinen 16; Nymfa: Kolossenzen 4; Apfia: Filemon 1).

In 1 Korinthiers 14:6 stelt Paulus dat de Korinthiers van hem mogen verwachten dat hij hen leert wat doctrine, wat waarheid, is. Daar besluit hij ook mee in vers 38 – deze leer komt van God.

Als Paulus in vers 34 stelt dat vrouwen zich stil moeten houden (sigato) in de bijeenkomsten, staat dat in het verlengde van wat hij in vers 28 zegt, dat mannen zich stil moeten houden (sigatosan) als iemand anders aan het woord is. Als vrouwen over doctrinale zaken willen spreken en daarin onderwezen willen worden (mantein), doen zij beter dat thuis te vragen, in plaats van de gemeentebijeenkomst te verstoren door allerlei zaken naar hun mannen te roepen.
In de verzen 37 en 38 lijkt hij het tot dezelfde groep vrouwen te hebben: “als een meent een profetische gave te hebben, dan erkent die persoon dat wat ik u schrijf van God afkomstig is, maar als een onwetend wil blijven, dan zal die onwetend zijn.” Paulus eindigt in vers 39 en 40 met te zeggen dat men by all means moest verlangen naar de gave van profetie, maar, meer nog, dat de zaken in goede orde verlopen.

Naar mijn mening gaat het er bij Paulus niet om om vrouwen het zwijgen op te leggen in de openbare samenkomsten. Hierboven heb ik al aangegeven dat vrouwen in de kerk openbaar dienstwerk deden en juist Paulus prijst hen veelvuldig aan! De gemeenteleden van Korinthe hadden zichzelf voorgehouden dat het evangelie hen had bevrijd, ook van alle sociale regels. In die trotse, zichzelf aangemeten positie wilden de vrouwen van Korinthe zelf bepalen wat kerkleer was en wie leiders zijn. Wellicht de eerste feministische beweging in de kerk; zeer zeker het eerste liberalisme! 

Het is opmerkelijk te begrijpen dat dit ook de vrouweninzegeningskwestie van gemeente- en kerkleiderschap voor vrouwen, die op dit moment ons kerkgenootschap verscheurt, raakt. Wat dat betreft lijken de liberalen in onze kerk bij de gemeente van Korinthe in de leer te zijn geweest en daar hun MA, MDiv of PhD-diploma te hebben gehaald: dezelfde opgeblazenheid, vermeende kennis, wanorde, eigen oordeel en dwaasheid. Het einde van Korinthe kennen we. Is de huidige crisis in de kerk de spiegel van Korinthe, waarin we onze toekomst zien? De Here verhoede!

Geen kerkelijk leiderschap voor vrouwen
Ik heb het hierboven al aangestipt: het woordgebruik voor "onderrichten" geeft in het Grieks een duidelijke nuance, wat in de Nederlandse vertaling wegvalt. In de Bijbel is geen plaats voor een kerkelijke leiderschapspositie voor de vrouw. Hoe jammer vrouwen met ambitie (daar reken ik mezelf ook toe) dat ook vinden. Als het om zaligheid gaat, vind ik het echter veiliger te blijven bij wat er geschreven staat. In de expliciete regels voor de kleding voor de priesters en levieten vind ik een sterke aanwijzing dat God een grens getrokken bij mannelijk priesterschap/leiderschap, juist omdat het een heilige taak was - het volk het verschil leren tussen heilig en gewoon; rein en onrein.

Niemand zal beweren dat vrouwen de heilige taak niet aankunnen. Maar ook al staat er nergens: gij zult geen vrouwen inzegenen, past gezonde redenering dat juist vrouwen in Israel nooit een priesterlijke functie zouden kùnnen uitoefenen, vanwege hun maandelijkse menstruatie. Een dienstwerk in de tempel, waarbij alles gericht was op het onderwijzen van het verlossingsplan, zat er niet in. Zelfs priesters die een vloeiing hadden - neusverkoudheid, wondje, zaadlozing – waren vanwege onreinheid tijdelijk uitgesloten van dienst, laat staan een vrouw die nooit altijd precies kan ‘uitrekenen’ wanneer de menstruatie komt. Stel je voor, je staat een bokje te slachten en voelt nattigheid in je onderbroek (vergeef me de plastische beschrijving ...).

Niemand zal beweren dat alleen levieten het priesterschap konden uitoefenen, maar God heeft meer dan duidelijk zijn voorkeur doen blijken. Zie het verhaal van Korach. Nota bene, een volle neef van Aaron, een leviet: Exodus 18:18-21; Numeri 16:1! In het NT worden wij gewaarschuwd voor dezelfde dwaasheid: Judas 1:11. Nee, het leiderschap was niet op grond van kennis, spreekkunst of academische verworvenheden, maar op grond van verkiezing. God heeft het zo bepaald. Hij heeft het RECHT dit te mogen. Of niet? Willen we met Hem twisten?

Bovendien is de Bijbel heel duidelijk: zelfs vóórdat het heiligdom gebouwd was, waren mannen verantwoordelijk voor de godsdienstoefening in hun gezin. Zelfs vóór de zondeval spreekt God de man aan op zijn verantwoordelijkheid. Hoe vaak laten huisvaders tegenwoordig die verantwoordelijkheid liggen. En omdat het werk wel gedaan moet worden, springen vaak de vrouwen in de bres. Vel van deze mannen vergeten gemakkelijk hun eigen nalatigheid en geven graag vrouwen de schuld van wanorde in het huisgezin en de gemeente.

Maar, hoor ik u zeggen: dan mogen vrouwen die menstrueren nu ook niet op de kansel dienst doen; misschien moeten ze zelfs thuisblijven. Wat een drogreden! Hebben we nu nog offers te brengen? Nee. Is er nu nog een aardse tempeldienst? Nee. Hebben we nu nog kerkelijk leiderschap? Ja. Is de man op grond van het Nieuwe Testament en op goddelijk gezag nog steeds het hoofd van zijn gezin? Ja. Hebben we nu nog steeds het verschil te leren tussen rein en onrein, heilig en gewoon? Ja, geen ceremoniële (on)reinheid, maar een redelijke, Bijbelsgefundeerde eredienst. Tenzij u zich de vrijheid wil aanmeten de inspiratie van Paulus te weerspreken… 

Wanbegrip
Duidelijk is, dat we de passages 1 Korinthiers 11:3-10 en 1 Korinthiers 14:34-36 moeten plaatsen in de context van de wanordelijke gemeente te Korinthe, die in beide brieven van Paulus overduidelijk tot uiting komt. Ze handelen over getrouwde vrouwen en de relatie met hun mannen. Paulus' betoog is dat een getrouwde vrouw haar rol en plaats moet kennen en rekening moet houden dat in de maatschappij van Korinthe een getrouwde vrouw het hoofd bedekt, zich bescheiden opstelt en niet al teveel praat. Dat ze haar man niet te schande maakt door zich te presenteren als een ongehuwde of slavin, en zo ook de gemeente in opspraak brengt alsof die uit een groep zedenlozen en anarchisten zou bestaan. Dat al heb je profetische gave, je ind e gemeente netjes op je beurt wacht, want het evangelie is niet allene aan jouw gegeven.
Het was toen gebruikelijk dat vrouwen zich niet mengden in discussies over Schriftuitleg – in de joodse synagoge zaten ze apart; in de Griekse samenleving waren ze onzichtbaar - daarom dat Paulus zegt: we hebben die gewoonte niet. Hij raadt hen in naam van God thuis hun man om nadere uitleg te vragen.
Rekening houden met deze gewoonte, ging niet in tegen de waarheid van God en daarom was het gepast zich eraan te houden. Paulus heeft zich altijd aangepast aan de sociale norm, waar dat zijn dienst aan God niet in de weg stond. Op dàt punt sloot hij geen compromissen. Maar hij kon veganist zijn als hij daarmee zijn toehoorders ter wille kon zijn, om hen te bereiken met het evangelie.

De moraal
Deze tekstpassages wijzen vrouwen èn mannen op hun juiste plaats ten aanzien van elke autoriteit die boven hen gesteld was. Man en vrouw hebben elkaar nodig om God op de juiste wijze te aanbidden, want als ze een echtpaar zijn, dan is de een niets zonder de ander, omdat ze aan elkaar verbonden zijn. Die verbondenheid is het evangelie in het klein, van Christus en Zijn gemeente. Paulus heeft al eerder duidelijk gemaakt dat een christelijke man zijn vrouw niet overheerst en dicteert, want God doet dat ook niet met Christus; Christus doet dat niet met hem of met Zijn gemeente. Dus voor de vrouw is het geen moeite zich te onderwerpen aan haar godsvruchtige man en voor de man zich te onderwerpen aan Christus.
De morele les zit ‘m in de vergelijking: God is het hoofd van Christus, maar respecteert diens persoonlijke vrijheid zelf te kiezen de Verlosser der wereld te worden; Christus is het hoofd van de man, maar respecteert diens persoonlijke vrijheid te kiezen voor Hem of niet; zo dient een man ook met zijn vrouw om te gaan. Hij mag dan wel het hoofd van zijn gezin zijn, maar dient de persoonlijke vrijheid van zijn vrouw te respecteren, terwijl zij zijn autoriteit van harte en vrijwillig erkent en dat openlijk laat zien aan anderen.
Er is in deze teksten geen enkele suggestie van overheersing. Dat zou immers in directe tegenspraak zijn met wat Paulus in zijn brief aan de Efeziërs leert, dat man en vrouw elkaar onderdanig zouden zijn in de vreze van Christus (Efe 5:21-23). Namelijk dat vrouwen hun man onderdanig zijn als aan de Here, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam (de gemeente) in stand houdt. Maar dat de man van zijn vrouw houdt als Christus van Zijn gemeente en als zijn eigen lichaam (Efez 5:25, 28). Nou, dàt is een opdracht voor perfecte, vrijgevige en onvoorwaardelijke liefde! Er zijn veel mannen de op dit punt tekort schieten!
Christus heerst niet met willekeur, dictatoriaal gedrag en koude liefde over Zijn gemeente. Dus er is geen enkele reden om Hem niet onderdanig te (willen) zijn, op zodanige wijze dat de hele wereld het mag zien. Als een man en vouw van elkaar houden zoals Christus van de gemeente en de gemeente van Hem, dan is er geen autoriteitsprobleem en dan zijn de volgelingen van Christus geen struikelblok voor de Grieken, voor wie het normaal is dat een getrouwde vrouw dat laat zien aan de hoofdbedekking die zij draagt. Kortom, als wij mensen met het evangelie willen bereiken, dan dienen wij ons aan hun gebruik aan te passen, in zoverre dat geen inbreuk maakt op wat God van ons vraagt.

Moderne toepassing
Als we de hoofdbedekking van de getrouwde vrouwen in Korinthe op een lijn zetten met de trouwring in de westerse wereld of de sluier in andere culturen, dan vinden we hierin een voorbeeld van geen aanstoot geven aan de wereld om ons heen. In het westen zal het een aanstoot zijn om als kerk getrouwde vrouwen als monddood voor te stellen, alleen maar vanwege het feit dat ze getrouwd zijn. In onze cultuur geeft een hoofddoek een verkeerd signaal af naar de omgeving. Velen snappen dit heel goed en proberen de hoofbedekking een aanbiddingsargument te geven alsof God het eist. We hebben al gezien dat Paulus juist niet probeert te verdedigen dat het een Godsgebod is.
In culturen waar het dragen van een uiterlijk teken van getrouwd zijn belangrijker is dan in onze westerse maatschappij zie je dat verstandige christenen zich er ook aan houden. Een sluier, een rood teken tussen de ogen, een hoofddoek, een trouwring, een jurk of rok tot de enkels, kies maar…. Paulus advies aan de gemeente van Korinthe was dat alles in goede orde zou verlopen en dat de heidenen geen schande van de gemeente zouden spreken. Hetzelfde argument gebruikt hij ook ten aanzien van spreken in tongen: 1 Korinthiers 14:23.
Dat een hoofdbedekking geen teken van doofstomme onderwerping is, zal elke moslima u steevast vertellen. Het is een uiterlijk teken van de afscherming, bescherming van de intimiteit tussen man en vrouw voor de buitenwereld; intimiteit, die voorbehouden is in het huwelijk, thuis. Echtgenoten dienen zich in het openbaar niet als ongehuwden te gedragen, maar elkaar te respecteren door zich “met toestemming van elkaar” te presenteren.
Wanneer een getrouwde vrouw dus in de gemeente bidt of profeteert dient ze dit op zodanige wijze te doen dat haar man niet in verlegenheid wordt gebracht, door blijk te geven dat ze hun intieme partnerschap respecteert. En ze doet dat op zo’n manier dat het duidelijk is voor buitenstaanders dat zij (reeds) een ander toebehoort. En als het zó gebeurt, dan mag een vrouw, getrouwd of niet, in onze westerse maatschappij vrij met onbedekt hoofd voorgaan in gebed en God aanbidden in de gemeente en profeteren, dat wil zeggen spreken en uitleggen, zonder te willen heersen over de man. Die heeft naar de Bijbelse orde in Gods gemeente nog steeds een speciale leiderschapspositie, los van het feit of we dat nog willen aanvaarden of niet.

Vrouwen en mannen hebben hun eigen en gelijkwaardige rol in de evangelieverkondiging. Die rollen zijn niet gelijk, want na de zondeval is bijna alles veranderd. Maar het is aan geen mens gegeven om dat recht te zetten, ook al roept hij nog zo hard “gewetensbezwaar” of "discriminatie". Herstel tot het oorspronkelijke wordt door Christus bewerkt. Tot dan dienen wij te “zwijgen en ons te onderwerpen” aan wat geschreven staat – mannen èn vrouwen!

Laten we bedenken dat we als volgelingen van Christus een schouwspel zijn voor de wereld om ons heen (1 Kor 4:9) en ervoor oppassen Gods kerk in opspraak te brengen door opgeblazen, vermeende wijsheid en onaangepast gedrag. Maar laten we er ook voor oppassen van bijzaken hoofdzaken te maken. Laten we niet dezelfde fout maken als de gemeenteleiders van Korinthe en hun vrouwen, die uitblonken in liberalisme en verdraaiingen van wat geschreven staat, uit eigenbelang, waarmee ze het evangelie van Christus te schande hebben gemaakt en de gemeente grote schade hebben toegebracht! En zo ver zijn gegaan dat ze de gemeente in Korinthe aan de afgrond hebben gebracht! Zie voetnoot 1.

"Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden. De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken. Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods. Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen." --Romeinen 15:4-8.

Als Jezus dat kon, dan kunnen wij dat ook!

Footnotes:

  • 1. Deze brief geeft aan dat de situatie in de gemeente op den duur is geëscaleerd. http://vroegekerk.nl/content.php?id=59 (geraadpleegd 5 mei 2015). - [terug 1]
  • 2. http://www.christipedia.nl/Artikelen/H/Haar. - [terug 2]
  • 3. Dr Lloyd Llewellyn Jones, heeft in zijn boek, Aphrodite's Tortoise: The Veiled Woman of Ancient Greece (2010, ISBN-13: 978-1905125425) beschreven dat volledige bedekking van het hoofd en het gezicht de gewoonte was bij Griekse vrouwen, wanneer zij zich in het openbaar begaven. Van Griekse vrouwen werd verwacht dat ze thuis bleven, kinderen baarden en zwegen. De sluier was een teken van de heersende ideologie van de vrouw, die verlangde dat zij zwijgzaam, bescheiden en onzichtbaar waren. Het was voor Griekse vrouwen een middel om hun emoties zonder woorden uit te drukken: woede, schaamte en seksualiteit. Het gaf hun sociale status aan; ze sluierden zich voor de mannen die zij respecteerden, maar niet voor anderen. Respect tonen voor hun echtgenoten hoorde daarbij. Zie de boekbespreking in de American Journal of Archaeology, Vol. 109, No. 1, Jan., 2005; http://www.jstor.org/discover/10.2307/40025125?uid=3738736&uid=2129&uid=2&uid=70&uid=4&sid=21106316546211 (geraadpleegd 7 mei 2015).. - [terug 3]
  • 4. Voerman, J (2014), De inzegening van vrouwen – Het priesterschap van alle gelovigen en andere aspecten, Promise Ministry, Groningen, ISBN 9789081190480, hoofdstuk 24, p. 197-203. - [terug 4]
Een reactie

Reacties  

+3 # Bert 11-10-2016 20:58
Dankbaar ben ik voor dit stuk. Wist echt niet wat ik met de bedekking en het lange haar van de vrouw aan moest. Ik ben een pinksterbroeder in een kerk met conservatieve gedachten. Rok, lang haar enz. Wist gewoon niet zo goed wat ik er mee aan moest maar nu wel!! Hrt grt. Bert.
Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer
Erken nu met geheel uw hart en ziel, dat niet een van alle goede beloften die de HERE, uw God, u gegeven heeft, onvervuld gebleven is. - Jozua 23:14


Copyright © Promise Ministry